Freya’s reis door Yggdrasil


Een verhaal van Merel Naaijkens
Illustratie door Amber Wilhelm


1. Het Begin

In een klein dorpje diep in de Noorse bossen, waar de winterse nachten langer zijn dan de dagen, leeft een meisje genaamd Freya. Ze is nieuwsgierig, dromerig en heeft altijd een verlangen om de mysteries van de wereld te ontdekken.

Op een koude avond, wanneer het noorderlicht hoog aan de hemel te zien is, leest haar moeder haar voor uit een boek over Yggdrasil, een levensboom uit de Noordse mythologie. ‘Yggdrasil is geen gewone boom,’ fluistert haar moeder. ‘Het is de grootste boom die ooit bestaan heeft. Zijn wortels reiken tot diep in het donkerste van de aarde en zijn takken strekken zich uit tot in de hoogste hemel. In de boom leeft van alles: mensen, goden, elfen, reuzen en nog veel meer.’ Freya tuurt dromerig in het haardvuur. ‘Er zijn negen werelden in de Yggdrasil,’ gaat haar moeder verder. ‘Yggdrasil zorgt dat alles met elkaar verbonden blijft. Zolang hij gezond is, leven de werelden in evenwicht. Maar als hij ziek wordt… dan kan alles verdwijnen.’ Freya’s oogleden worden inmiddels zwaar. Haar hoofd zakt langzaam tegen haar moeders schouder. Het haardvuur knispert zacht en buiten glijdt het noorderlicht als een dansende rivier door de hemel.

Plotseling schrikt Freya wakker uit haar slaap door een mysterieuze figuur in de schemering: een vrouw, gehuld in een mantel van sterrenstof. ‘Freya, je moet de Yggdrasil helpen,’ zegt de vrouw. ‘De boom begint langzaam te verdorren, en als niemand hem helpt, zal alles in de werelden verdwijnen. Jij, Freya, hebt de kracht om de boom te redden. Maar om dat te doen, moet je langs alle werelden van Yggdrasil reizen, tot ver boven in de toppen. Hoog in de kruin van Yggdrasil zit een machtige adelaar. Alleen de adelaar weet wat je moet doen.’

Freya knikt. Ze is verrast, maar niet bang. Ze voelt zich plotseling heel helder en vastbesloten. De vrouw glimlacht en strekt haar hand uit. ‘Sluit je ogen,’ zegt ze zacht. Zodra Freya haar ogen sluit, voelt ze een warme wind langs haar wangen strijken. Het is alsof ze zweeft, alsof de wereld om haar heen zachtjes verschuift. Wanneer ze haar ogen weer opent, staat ze niet meer in haar kamer. Ze staat op zachte, vochtige grond, omringd door nevel. Boven haar torent een gigantische boom uit, zo groot dat de kruin verdwijnt in de sterren. Zijn wortels kronkelen als rivieren door de aarde. Ze is bij de levensboom. Bij Yggdrasil.     


2. De werelden in de boom

Voorzichtig zet Freya haar eerste stappen langs de wortels van de boom. Ze kronkelen als oude slangen over de grond, met mos bedekt en glinsterend van dauw. Tussen de knoestige wortels verschijnt een lichte nevel, en daar… in het schijnsel van een waterbron die stil opborrelt uit de aarde, ziet ze drie vrouwen. Freya voelt kippenvel op haar armen als ze hen ziet. Hun gezichten zijn tegelijkertijd jong en oud, hun ogen diep als de nacht. Freya houdt haar adem in. Ze weet wie dit zijn. Haar moeder had over hen verteld. Het zijn de Nornen, drie zusters die het lot weven en bepalen: Urd, die het verleden kent, Verdandi, die leeft in het nu, en Skuld, die de toekomst kent.

‘Je bent gekomen,’ zegt de oudste, met een stem als krakend ijs. ‘Zoals het geschreven stond,’ fluistert de tweede. ‘Maar jouw pad is nog ongeschreven,’ zegt de jongste. Urd steekt haar hand uit. In haar vingers houdt ze een dunne, gouden draad. ‘Gebruik deze draad om je weg terug te vinden,’ zegt Skuld. ‘Je zult hem nodig hebben om thuis te komen.’ Freya strekt haar handen uit en neemt de draad aan. Hij voelt warm en koel tegelijk, licht als wind en toch stevig als staal. Ze knoopt hem voorzichtig rond haar pols. De Nornen knikken, en zonder nog verder iets te zeggen, keren ze zich om, de duisternis in.

Helheim

Freya loopt verder langs de wortels van de boom en komt aan in de eerste wereld van Yggdrasil: Helheim. De lucht is zwaar en de mist lijkt te leven. De aarde onder haar voeten voelt koud en vochtig aan, en overal om haar heen staan grijze, verwrongen bomen die hun takken in de lucht steken als armen van verloren zielen. Dit is de plek waar sommige mensen na hun dood naartoe gaan, weet Freya. Niet de dappere Vikingkrijgers die in grote gevechten sneuvelen – die gaan naar de zalen van de goden in Asgard – maar de mensen die in stilte sterven: oud, ziek, moe of vergeten. In Helheim krijgen zij rust. Geen feest, geen strijd, maar stilte. Dan hoort Freya opeens iets, zachte stemmen, als gefluister door de wind. Ze draaien rond haar hoofd, fluisteren woorden die ze net niet kan verstaan. ‘Wie is daar?’ roept Freya zacht. Maar wanneer ze zich omdraait, ziet ze niets anders dan de eindeloze mist.

Svartalfheim

Wanneer de dichte mist van Helheim langzaam begint op te lossen, voelt Freya de grond onder haar voeten trillen. Er klinkt een dof gedreun vanuit de diepte. Ze is aangekomen in Svartalfheim, het donkere rijk van de dwergen. Dit rijk is diep onder de aarde, in grotten vol glinsterende edelstenen, enorme smederijen en smalle gangen die galmen van het geluid van hamers die op een aambeeld slaan. De dwergen zijn klein, stoer en hun ogen fonkelen als geslepen kristal. Ze bekijken Freya aandachtig. Zonder veel woorden overhandigen ze haar een magisch schild. ‘Dit schild zal je beschermen,’ zegt één van hen. Nog voor Freya hen kan bedanken, spitsen de dwergen hun oren. Iets in de boom ritselt, een diep, schurend geluid als schubben over een bast. Plots draaien de dwergen zich om en verdwijnen razendsnel in de duisternis van hun gangen, alsof ze weten wat er komt… en niet willen blijven staan om het goed te zien. Freya staat alleen. Alleen met het schild in haar handen, en het geritsel komt steeds dichterbij. Tussen de takken kronkelt iets groots. Iets ouds. Nidhogg, de draak-slang die eeuwig aan de wortels van de levensboom knaagt, woedend en rusteloos.

Wanneer hij Freya ziet, sist hij woest en spuwt hij haar een bundel vlammen toe. Het schild in haar handen gloeit op. Het vangt het vuur op en kaatst het terug, maar zonder woede, zonder pijn. Freya doet een stap naar voren. Ze vecht niet. De draak staart haar een moment lang aan. Dan zakt zijn lichaam langzaam neer, zijn adem zwaar en dampend. Voor het eerst in lange tijd stopt hij met knagen. Onder de indruk van Freya’s moed trekt Nidhogg zich terug, dieper in de schaduw van de boom. De weg is vrij. En Freya, met het schild tegen haar zij, klimt verder omhoog, tot ze bij bergen aankomt. Ze is aangekomen in het thuisland van de reuzen: Jotunheim.  

Jotunheim

Alles hier is groot, wild en krachtig. Rotswanden torenen hoog boven haar uit als kastelen van steen, in de verte grommen lawines als dreigende waarschuwingen. Tussen twee bergwanden doemen langzaam reusachtige gestalten op. Een reuzin zegt met een stem die diep en traag door de lucht klinkt: ‘Jij bent de reizigster van de boom; de wind is aan het fluisteren over jou, meisje van Midgard.’ Ze hurkt neer, zodat haar gezicht dichter bij Freya komt, en haalt een paar stevige laarzen tevoorschijn. ‘Deze laarzen zullen je beschermen tegen de bijtende kou van de volgende wereld van Niflheim en zorgen dat je voeten stevig blijven, zelfs op het gladste ijs,’ zegt de reuzin. Freya pakt ze met beide handen aan, haar ogen groot van verwondering. Zodra ze de laarzen aantrekt, voelt ze een warme gloed door haar benen trekken. ‘Dank u,’ zegt Freya, terwijl ze opkijkt naar de reuzin. Die glimlacht en knikt. ‘Vergeet niet: zelfs de sterkste stappen beginnen met vertrouwen.’ En zo vervolgt Freya haar tocht, nu met voeten die nergens voor terugdeinzen.

Niflheim

Opeens wordt het erg koud. Freya’s adem wordt zichtbaar in de lucht en haar vingers tintelen van de kou. Ze komt aan in de wereld van Niflheim. De grond onder haar voeten is bedekt met een dunne laag sneeuw, die kraakt als glas wanneer ze haar gewicht verplaatst. IJzige geesten komen uit de nevels tevoorschijn, hun vormen zijn slechts gedeeltelijk zichtbaar. Ze zijn niet volledig menselijk, noch volledig van ijs. Freya blijft stilstaan. De laarzen van de reuzin beschermen haar tegen de bijtende kou, maar ze voelt de stilte van deze wereld tot in haar botten.                                      

Tussen de takken van Yggdrasil beweegt plots iets dat vlug is en roodbruin; een kleine gedaante, snel als de wind. Hij springt druk heen en weer tussen de dikke takken, zijn pluimstaart zwiepend als een vlaggetje in de wind. ‘Ik ben Ratatoskr, boodschapper van de levensboom. Ik hoor alles, ik zie alles en ik ren overal tussendoor. Zal ik je helpen uit die kou te komen?’ vraagt Ratatoskr vriendelijk, terwijl hij met een kleine poot Freya’s hand aanraakt. ‘Ik ken elke tak en elke spleet van deze boom. Volg mij maar, ik wijs je de weg.’ Freya knikt dankbaar. En terwijl de eekhoorn behendig van tak naar tak springt, volgt zij hem.

Vanaheim

Dan, opeens, verandert alles om haar heen. De lucht kleurt zachtgroen, alsof ze onder een dak van bladeren loopt. Warme zonnestralen vallen als goudstof tussen de takken door. De grond voelt veerkrachtig onder haar voeten en ruikt naar bloemen en vers regenwater. Overal groeien planten en bloemen in kleuren die ze nog nooit heeft gezien. Ze is aangekomen in Vanaheim, het land van de Vanir goden, de natuur en oude natuurmagie. Het lijkt wel alsof de natuur om haar heen danst.

Tussen het licht van de bladeren verschijnt plotseling een majestueus hert. Het dier kijkt haar met kalme, vriendelijke ogen aan. ‘Ik ben Dvalinn, een van de vier seizoenenherten die de boom bewaken,’ zegt het dier zonder zijn mond te bewegen; maar Freya hoort de woorden in haar hart. ‘Jij reist verder dan de meesten ooit hebben gedaan, maar je pad leidt je nog langs vuur.’ Dvalinn geeft Freya een cape. ‘Deze zal je beschermen tegen de vlammen van Muspelheim,’ zegt hij. Freya neemt de cape aan. Ze draait ze zich om, slaat de cape om haar schouders, en volgt Dvalinn tussen de bomen door.                 

Alfheim

De lucht ruikt naar bloemen, honing en zon. Er klinkt harpmuziek. Elfen verschijnen tussen de bomen, lichtvoetig, stralend. Eén van hen stapt naar voren en houdt een oud, vierkant doosje vast in haar handen. Het is een kompas, met een lichtpuntje in het midden. ‘Dit kompas zal je helpen de weg verder te vinden,’ zegt de elf met een glimlach. ‘Het wijst niet naar het noorden, maar naar waar je werkelijk naartoe wilt.’ Freya neemt het voorzichtig aan. Ze voelt meteen de magie door haar vingers stromen. Dankbaar buigt Freya diep voor de elfen. Dan volgt ze Dvalinn weer. Hoger, verder, naar Muspelheim, het rijk waar de hitte nooit slaapt.

Muspelheim

Al snel raakt Freya Dvalinn en de weg kwijt. De vlammen van Muspelheim dansen om haar heen en veranderen telkens van richting, alsof ze haar willen verwarren. Elke stap lijkt terug te leiden naar dezelfde plek. Ze draait rond, links, rechts, maar niets ziet er vertrouwd uit. Alles gloeit. Alles beweegt. En de hitte wordt ondraaglijk. In paniek grijpt ze naar haar schouders en slaat de cape van Dvalinn nog steviger om zich heen. Meteen voelt ze verkoeling, alsof een beschermende bries haar omsluit. De vlammen deinzen achteruit. Daar waar ze loopt, wijken de vonken. Langzaam, stap voor stap, baant ze zich een weg door het vuur. Na wat voelt als een eeuwigheid opent het landschap zich. De lucht wordt iets lichter, de grond voelt steviger onder haar voeten. Ze is aangekomen bij de rand van Muspelheim. Ze heeft het overleefd.

Midgard

Wanneer Freya verder loopt, maakt de geur van vuur en rook plaats voor iets anders, iets vertrouwds. Ze herkent het direct: brood, mos, vis. Voor ze het goed en wel beseft, staat ze aan de rand van haar eigen dorp. Ze is terug in Midgard. Haar thuis. Dorpsgenootjes dansen in kringen rond de bomen. En dan ziet ze haar. Haar moeder. Ze zit onder een grote boom, haar rug licht tegen de stam. In haar handen ligt het boek waaruit ze Freya altijd voorleest. Haar moeder bladert langzaam, kijkt soms bang bij het lezen, alsof ze weet dat Freya op reis is. Freya’s hart slaat een slag over. Ze wil roepen, rennen, zich in haar armen werpen. Maar haar voeten blijven stil, haar stem onhoorbaar. Ze is aanwezig, maar onzichtbaar. Alsof ze door een herinnering wandelt. Plots begint het kompas zachtjes te gloeien en draait langzaam in een richting. Freya ziet een brug van regenboogstralen opdoemen. Ook deze brug, deBifröst, is haar bekend door haar moeders verhalen. Deze brug zal haar naar de laatste wereld brengen. Ze werpt nog één blik op haar moeder. Die slaat langzaam het boek dicht en kijkt precies op dat moment op, alsof ze haar aanvoelt. Dan stapt Freya met zelfverzekerde stappen de brug over.

Asgard

Asgard is misschien wel de meest indrukwekkende wereld van allemaal. Wanneer Freya de gouden poorten van de stad van de goden binnenstapt, stokt haar adem. De torens van de stad rijzen hoog op, bedekt met glanzend goud, en tussen de wolken zweven bruggen van licht. In het midden van een groot plein ziet ze een dans van prachtige godinnen. Ze zijn gehuld in mooie gewaden die bewegen als de wind zelf. Ze voelt dat elke beweging een verhaal vertelt: over liefde, strijd, vreugde, verlies, en de kracht van alles wat leeft, alsof de godinnen haar komst al verwachtten en dit hun manier is om haar welkom te heten.

3. De Terugkeer

Terwijl ze kijkt naar de dans voelt ze het kompas plotseling weer trillen. De naald wijst direct naar boven. Daar zweeft een enorme adelaar met schitterende vleugels. Hij daalt langzaam naar beneden en landt vlak naast Freya. Hij spreekt met een diepe, rustige stem: ‘Freya, dappere reiziger van werelden, je hebt de gaven van ieder rijk ontvangen. Je moed, wijsheid en hart hebben bewezen dat jij de ware hoedster van Yggdrasil bent. De boom leeft, maar zijn kracht is nog kwetsbaar. Alleen wanneer alle werelden samen hun energie geven, kan hij volledig herstellen. Jij bent de brug die hen verbindt.’

Freya haalt diep adem. Ze houdt de voorwerpen bij zich: de draad, het schild, de laarzen, de cape en het kompas. Maar nu ziet ze wat ze werkelijk zijn: geen gewone objecten. Ze zijn geschenken die de kracht van hele werelden dragen. Ze dragen de moed van Asgard, de bescherming van Vanaheim, de kracht van Jotunheim, de wijsheid van Alfheim en de richting van de Nornen. Samen vormen ze de sleutel tot herstel. Samen zijn ze een weerspiegeling van de unieke gaven van ieder rijk én van hun verbondenheid met elkaar. Ze sluit haar ogen en spreekt vanuit haar hart: ‘Moge Yggdrasil altijd verbonden zijn met al wat leeft en mogen de werelden elkaar blijven vinden in een dans van licht en liefde.’

De adelaar slaat zijn vleugels uit, en met één machtige kreet stijgt hij op. Een golf van licht baadt de boom in een gouden gloed. De gloed verspreidt zich door Yggdrasil, van de hoogste bladeren tot de diepste wortels. Vanuit elk rijk stroomt kracht terug naar de boom: de harpmuziek van de lichtelfen, de stevige klanken van de reuzen, het snelle trippelen van Ratatoskr over de takken, het gefluister van de zielen uit Helheim, het vuur van Muspelheim en zelfs de duistere adem van Nidhogg. Alles wordt één. De bladeren van Yggdrasil glanzen weer in volle pracht. De takken groeien weer sterk, en de magie stroomt door alle werelden. Overal dansen zijn inwoners. Het is een feest van verbondenheid. En Freya, zij glimlacht. Want ze weet: het is tijd om naar huis te keren. Dan denkt ze terug aan de gouden draad van de Nornen. De draad begint te gloeien in haar handen. Ze sluit haar ogen. Zakt neer op de zachte grond. En alles wordt…zwart.

Wanneer Freya wakker wordt, ligt ze weer naast het haardvuur dat inmiddels gedoofd is. Even vraagt ze zich af of het allemaal een droom was. Maar wanneer ze naar haar pols kijkt, ziet ze de gouden draad die ze gekregen heeft van de Nornen weer heel even opgloeien. Ze lacht en weet dat de levensboom altijd met haar verbonden zal blijven. De werelden zijn veilig, en Yggdrasil is weer gezond en sterk.